Menu
Geen producten in je winkelmand

Femke Schavemaker (46), schrijver, Hilversum

Wat mijn depressie mij influistert

Het telt op. Elke keer dat het komt, bouwt het voort op de brokstukken van de vorige inslag.
Het heeft me altijd verbaasd dat mensen een beeld van depressies kunnen hebben als iets verdrietigs. Dat heeft me er in basis denk ik toe aangezet om Karkas te schrijven. Mijn depressies zijn verre van verdrietig. Voor verdriet moet je waarde aan iets hechten. De pijn zit juist in het ontbreken van alle waarde.

Je ziet de wereld zoals die werkelijk is. De verbanden, de betekenis, de gevoelens die mensen daaraan toekennen zijn me op dat moment vreemd. Ik raak onthecht van de menselijke soort. Ik doe er voor onder. En tegelijk stijg ik er mijlenver bovenuit. Ik doorprik de illusie. Die rauwe werkelijkheid snijdt als scherpe oostenwind door alles heen. Ik sta in de kou. Niet meer in de wereld. Al met een voet aan de andere kant. Het is dan steeds een 50/50 keuze. Links of rechts. Gaan of blijven. Die stap is even groot. Ik snap dat het niet te snappen is als je die schemerzone nooit hebt betreden.


Wat ik terug zeg

Ik weet dat het terug kan komen. Ik weet ook dat het over gaat.
Het is als ademhalen. Je gaat op en neer. En vooral door. Altijd. Zolang je blijft ademhalen wil je kennelijk leven. “I’m breathing so I guess I’m still alive. Even if signs seem to tell me otherwise”, zong TOOL ooit. Iets dendert door. En heeft het keer op keer gewonnen van die toch behoorlijk overtuigende depressies. Overtuigend, maar tijdelijk. Ze kunnen kort of lang duren, maar uiteindelijk ebben ze weg. Het zijn wanen. De gedachte dat ik beter kan verdwijnen. Het is net zo irreëel als de gedachte dat ik over profetische gaven beschik en bestemd ben de wereld iets mee te geven. Zo denk ik in manische perioden.

Ik neem afstand van die wanen. Ik plaats mezelf onder curatele als ik de wanen herken. Er is een stem in mij die zorgt dat ik me er niet in verlies. Ik ga door. Stap in de alledaagsheid. Je hebt altijd de keuze om je aan te kleden. De vuilnis buiten te zetten. Een enorme opgave op zo’n moment. Ik zie het als revalidatie. Van iets dat ik heb, op dat moment, niet van iets dat ik ben. Ik ben niet manisch-depressief, ik heb manisch-depressieve klachten. Een wereld van verschil. Iets dat je hebt neem je serieuzer. Je pakt het aan. In iets zijn zit een soort berusting die mij vreemd is. Ik leg me er niet bij neer.

Wat (soms) helpt

De eerste hulpverlener ben ik zelf.
Ik was 25 toen ik de diagnose manisch-depressief kreeg. De GGZ had er een enkel gesprek met mij en een teamoverleg zonder mij aan gewijd. Ze brachten het als groot nieuws. Ik heb altijd gedacht: dat zegt misschien iets over andere mensen, dat ze vergelijkbare klachten hebben. Kennelijk hebben zoveel mensen wat ik heb dat er een naam voor is bedacht. Maar het vertelt me niets extras over mij. Ik gooide de folders, met symptomen die anderen mensen met mijn symptomen ook hebben, in de prullenbak. Ik dacht: dan krijg ik dat straks ook nog. Ik slikte twee en half jaar lithium en voerde gesprekken. Ik werd een echte patiënt. Vergeetachtig. Zware tremor. Altijd moe. Zonder die achtbaan in mijn hoofd weet ik niet in wiens lijf ik beland ben. Van de ene dag op de andere besloot ik te stoppen. De GGZ zei dat ze me zonder medicatie niet zouden behandelen. Ik besloot eindverantwoordelijkheid te nemen voor mijn leven.

Ik werkte hard aan mezelf. Gezond en gecontroleerd leven. Sporten, regelmaat, beperkte sociale contacten, geen gekkigheid. Ik leefde met helm op en gordels om. Daar kwam ik heel ver mee. De pieken en dalen kwamen vrij rap terug zonder medicatie, maar ik gaf ze geen enkel podium. Als niemand het zag en ik er niet over sprak was hun bestaan misschien wel weer een waan. Ik deed in wezen met mijn stoornis wat mijn stoornis met mij doet: ik ontnam het bestaansrecht. En tegelijk wist ik weer dat ik mij was. Ik voerde dagelijks een heftige en tegelijk saaie strijd. Maar het maakte dat ik niet als patiënt, noch als zombie, door het leven ging. En vooral dat ik niet weer aan de ’flatliners’ hoefde. De angst dat mijn energie en helderheid van geest weer worden opgezogen door een dagelijkse dosis lithium, maakt dat ik mezelf al meer dan 15 jaar in het gareel houd.

Anderhalf jaar geleden, na een stroom van sterfgevallen en rampspoed en met de naderende verschijning van mijn boek, zocht ik voor het eerst weer hulp.  Ik vond een echt goede psychiater en psycholoog. Ze zeiden: knap hoor, maar ben je ook gelukkig? Ik heb nooit gedacht dat geluk voor mij was weggelegd. Overleven was al een opgave. Maar het was de moeite waard het een kans te geven. Met hun hulp durfde ik wat van de controle los te laten. Weer te gaan leven, zou je kunnen zeggen. Onder hun begeleiding ontrafel ik nu pas de kern van mijn klachten. Het reikt zoveel verder dan aanleg of chemische disbalans. Ik denk dat het 95% nurture is en maar 5% nature. Het doorbreken van mijn eigen dogma’s, mijn overtuiging dat er iets mis met me is, is opnieuw loeihard werken. Je onderdrukt jezelf in je denken, doen en dromen. Je hele vocabulaire is ervan doorspekt. Het is alsof je Chinees moet leren…


Wat mijn omgeving kan doen

Ik heb mijn leven lang geprobeerd niemand tot last te zijn.
Ik geloof werkelijk dat ik de aangewezen persoon ben om mijn staat van zijn aan te pakken. Maar ik durf mijn omgeving wel meer tot last te zijn. Ik deel mijn leven. Zoek contact. Dat maakt me kwetsbaarder, maar tegelijk krachtiger. Ik kan er ook voor anderen zijn. Die gelijkwaardigheid is de kern van alles. Dat ik me niet meer en ook niet minder voel dan anderen. Dat is iets waar mijn omgeving wisselend op reageert.

Ik ben vrienden verloren die het lastig vinden dat ik meer plek inneem. Ik heb ook nieuwe vrienden gemaakt die mijn openheid waarderen. Zonder mij daar dan weer de hemel voor in te prijzen. Ik heb het niet nodig te horen hoe ’dapper en sterk en stoer’ ik ben. Soms zijn complimenten heel neerbuigend. Dat ligt misschien ook weer aan mij. Of aan de context. Of aan de oprechtheid. Ik weet het niet precies. Ook hierbij snap ik het als mensen het niet snappen.


Tekst: Femke Schavemaker
Fotografie: Allard de Witte

Waar word je blij van?
Ik dans. Dancehall en Afro. Er is niets dat mij zoveel instant blijdschap biedt als dat.

Wie bewonder je? Waarom?
Ik bewonder veel mensen. Om heel verschillende dingen. Maar als ik een persoon mag noemen is dat Idris Elba. Deze man blijft zichzelf uitvinden. Hij is acteur, DJ, model en blijft uit zijn comfort zone stappen.

Wat is je favoriete boek?
We need to talk about Kevin.
De onbetrouwbaarheid van de verteller die je aan alles doet twijfelen. Zo hard. Zo mooi. Lionel Shriver heeft me geïnspireerd om op de meest pijnlijke manier eerlijk te schrijven.

Wat is jouw guilty pleasure?
Ik volg het leven van Kempi op de voet via Instagram. Wat hij eet, wie hij date. Ik binge Kempi.