Menu
Geen producten in je winkelmand

Josha Zwaan (55), schrijver, Zutphen

Wat mijn depressie mij influistert

De eerste depressieve periode in mijn leven begon toen ik tien was. Ik voelde me eenzaam en somber en vooral door niemand gezien. Dat resulteerde in een bewuste val met mijn fiets, op een haar na met blijvende hersenschade. Ook als tiener kampte ik met periodes van grote somberheid. Dan verstopte ik mij in bed met hoofdpijn en buikpijn, die ik ook echt had, maar zonder fysieke oorzaak. Tijdens mijn studententijd werden de goede periodes langer, maar de sombere periodes heftiger. Mijn tactiek was om mij te verstoppen als het niet goed met mij ging, om daarna weer fris en actief tevoorschijn te komen. Ik denk niet dat iemand in die tijd vermoedde hoe verscheurd ik mij vaak voelde. De depressies fluisterden niet maar schreeuwden: ‘Je bent lelijk, te dik, je doet niet genoeg je best. Je helpt je familie niet genoeg, je bent niet nuttig voor de wereld, niemand zal je missen als je er niet bent, je doet niet genoeg.’ Vooral die laatste zin is de stem van de depressie: ‘Je doet niet genoeg.’

Pas na de geboorte van mijn eerste kind lukte het mij om uit te spreken hoe ik mij voelde, niet toevallig tegen een bevriende arts. Hij raadde mij meteen aan om hulp te zoeken. Niet lang daarna kon ik met voorrang bij een psychotherapeute terecht. Het psychoanalytisch instituut waar ik mij aangemeld had, vond mij een ‘ernstig geval.’

‘Die zijn gek,’ dacht ik. Maar ik ging wel in therapie. Voor het eerst viel het woord depressie.

Jarenlang leefde ik van goede naar slechte, weer naar goede periodes. Ik was een meester in het verhullen van de slechte tijden. Inmiddels had ik ook last van paniekaanvallen en was ik vaak angstig. Mijn veelvuldige ziekmeldingen vielen niet op omdat ik steeds tijdelijke banen had, aan projecten meewerkte, of gewoon ergens anders solliciteerde. Ook vier keer zwangerschapsverlof gaf mij de ruimte om weer in balans te komen. Talloze malen ging ik in therapie. Mindfulness, yoga, hardlopen, elke hulpbron greep ik aan. Het hielp, maar nooit genoeg.

Na een heel zware periode in mijn leven, en in dat van mijn gezin, werd alles mij te veel, de paniek gierde door mijn lijf, ik was volkomen bevroren. Gelukkig werd ik doorverwezen naar een heel goede psychiater, die uitgebreid met mij in gesprek ging. Zij adviseerde mij om naast cognitieve gedragstherapie ook te starten met het slikken van antidepressiva. Ik was enorm bang om dat te gaan doen, vooral het risico op versterking van mijn suïcidale gedachten joeg mij angst aan. Dus creëerde zij samen met mijn omgeving een vangnet en startte ik met medicatie. Na een week of vier schoof er een gordijn open in mijn hoofd. Dat gordijn is nog steeds open. Ik kwam niet in het paradijs, maar het leven is wel veel lichter geworden.


Wat ik terug zeg

In heel slechte periodes heb ik geen enkel weerwoord tegen mijn depressie. Dan is elke dag een zwart gat. Vooral opstaan is een gevecht; ik moet door een rijstebrij berg heen eten voor ik de dag kan beginnen. Moe voor ik iets gedaan heb, stroop in mijn ledematen en mist in mijn hoofd. Ik zie dan wel dat de wereld mooi is, mijn geliefden lief, maar ik voel het niet. Ik voel me lastig en nutteloos. Wat ik doe met mijn leven is nooit goed genoeg.

Sinds ik medicatie gebruik, kan ik mijn somberheid wat beter van een afstand bekijken. Soms kan ik met mijzelf in gesprek: ‘Je doet heel veel. Voor je gezin, je vrienden, voor de maatschappij. Je schrijft boeken waar mensen van genieten, over nadenken, van leren. Je bent een docent waar studenten blij mee zijn. Je bent een liefdevolle, aanwezige moeder en partner.’

Sinds ik medicatie slik ben ik vrolijker, lukt het beter om mijn bezigheden te doseren, genoeg rust te nemen, geduldig te zijn en te accepteren dat er lijden is in de wereld. En dat ik dat niet allemaal op kan lossen, maar wel mijn steentje bijdraag.

Wat (soms) helpt

Medicatie. Vorig jaar heb ik geprobeerd om af te bouwen. De discussie over de voors en tegens van antidepressiva beïnvloedden ook mij. Het werd een kleine ramp. Na een paar maanden wilde ik niets anders meer dan een ernstige ziekte krijgen zodat ik opgenomen zou worden in het ziekenhuis en niets meer zou hoeven. Nu heb ik de afspraak met mijn man dat ik niet meer stop.

Balans in mijn agenda. Ik heb neiging om veel te hard te werken, ik draaf door, denk dat ik alles kan. Inmiddels weet ik dat ik veel lege tijd moet plannen. Tijd om in de tuin te zitten, te wandelen, te mediteren, te niksen. En vooral ook tijd om veel alleen te zijn.

Weinig alcohol. Drinken lijkt te helpen, maar na een paar glazen keert de wijn zich steevast tegen mij. Het leven lijkt zwaarder en het houdt me uit mijn slaap.

Acceptatie van wie ik ben. Sinds een paar jaar probeer ik te praten over mijn psychische kwetsbaarheid. Ook geef ik, naar aanleiding van mijn roman Dwaallicht, lezingen over leven met angst en depressie. Tijdens die lezingen vertel ik ook mijn eigen verhaal. Inmiddels weet ik dat heel veel mensen net zo kwetsbaar zijn als ik. Het wordt hoog tijd om op te houden met het verzwijgen en verstoppen van die kwetsbaarheid.


Tekst: Josha Zwaan
Fotografie: Allard de Witte

Wat doe je in het dagelijkse leven?
Ik ben romanschrijver en essayist. Daarnaast geef ik les bij de Schrijversacademie en begeleidt ik individuele schrijvers.

Wat vind je belangrijk in het leven?
Aandacht voor wat kwetsbaar is. De tijd nemen voor dingen. Aandachtig zijn  en open minded.

Waarom wilde je jouw verhaal delen? 
Ik ging inzien dat het verstoppen van mijn kwetsbare kant alleen maar averechts werkte. En dat anderen geholpen zouden kunnen zijn met het voorbeeld van een leven dat echt heel fijn is maar soms moeilijk.

Wat is het beste compliment dat je ooit gekregen hebt?
Wat mooi dat je je kwetsbaarheid zo durft te tonen.

Wie bewonder je? Waarom?
Marjolijn van Kooten. Omdat zij een belangrijke stap heeft gezet in het bepsreekbaar maken van angst en depressie. En omdat ze mij en anderen vreselijk kan laten lachen daarom.